
Vastgoedrecht: Legesheffing bij WOB-verzoek toegestaan? (29-09-2011)
Het Hof Den Haag heeft op 6 juli 2011 een belangrijke uitspraak gewezen waarin duidelijkheid wordt gegeven over de vraag of er bij een WOB-verzoek leges kunnen worden geheven.
Aan de zaak bij het Hof Den Haag gaat een voorgeschiedenis vooraf. Op 29 april 2010 heeft de rechtbank Den Haag namelijk bepaald dat de Wet Openbaarheid van Bestuur (“WOB”) geen wettelijke basis biedt voor een legesheffing en dat artikel 229 van de Gemeentewet dat ook niet doet. De reden hiervoor is dat het geen dienst betreft.
Het Hof Den Haag heeft nu het tegenovergestelde bepaald. Het Hof oordeelt dat voor het doen van nasporingen leges in rekening kunnen worden gebracht omdat het een “dienst” betreft. Voor de formulering voor het begrip (dienst) wordt aangesloten bij de formulering van de Hoge Raad uit het arrest van 17 april 2009. Het gaat dan om “door of vanwege het gemeentebestuur verrichte werkzaamheden die liggen buiten het gebied van de publieke taakoefening en rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang”.
Het Hof stelt zich op het standpunt dat nasporingen voor een WOB-verzoek in overheersende mate verband houden met het individualiseerbaar belang van de aanvrager dat bestaat bij de vragen van specifieke informatie. Wel komt het Hof tot het oordeel dat ook gekeken moet worden naar de hoogte van de tarieven. In deze zaak wordt om die reden geoordeeld dat de heffing onhoudbaar is wegens schending van het gelijkheidsbeginsel omdat voor inzage bij nasporingen geen leges berekend wordt. Dit terwijl bij toezending bij nasporingen wel leges berekend wordt.
Met deze uitspraak is de Hoge Raad weer met een stap dichter benaderd. Uiteindelijk zal daar de definitieve uitsluiting worden gegeven over de vraag of er wel of niet leges mogen worden geheven bij een WOB-verzoek.
Meer waarschijnlijk is het echter dat de wetgever aan zet is, voordat de Hoge Raad een arrest kan wijzen. Op 31 mei 2011 heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer een brief gezonden waarin staat opgenomen dat de minister in de WOB wil vastleggen dat alle bestuursorganen (zowel centraal als decentraal) kosten in rekening kunnen brengen. Het gaat dan om marginale verstrekkingskosten van kosten voor reproductie en levering.
Het wetsvoorstel tot wijziging van de WOB zal waarschijnlijk ook inhouden dat in de WOB een bepaling zal worden opgenomen dat oneigenlijke WOB-verzoeken kunnen worden afgewezen. Ook wordt voorgesteld een bepaling in de WOB op te nemen op grond waarvan de omvang van het verzoek kan worden gereduceerd als de inspanning van het onverkort in behandeling nemen van het verzoek niet in verhouding staat tot het met de WOB te dienen belang.
Daarnaast wordt een voorstel gedaan tot toevoeging van de mogelijkheid tot opschorting van de beslistermijn bij omvangrijke verzoeken. In beide gevallen zal als voorwaarde gesteld worden dat vooraf overleg plaatsvindt tussen (een ambtenaar van) het bestuursorgaan en de verzoeker. De reden voor het opschorten van de termijn is er wellicht in gelegen dat vrij veel personen, waaronder begrepen studenten, gebruik maken van de WOB en hopen dat het bestuursorgaan niet binnen de toegestane termijn een beslissing neemt waardoor op basis van de Wet dwangsom aanspraak gemaakt kan worden op het verbeuren van een dwangsom. Door de wetswijziging zal dit ook worden voorkomen.
Gelet op het voorgaande dient bij WOB-verzoeken goed bekeken te worden of de legesheffing in ieder geval overeenkomstig het arrest van het Hof Den Haag gebeurt.
Ilse (E.C.W.) van der Poel i.vanderpoel@schenkeveldadvocaten.nl
Terug naar overzicht
|